Tags

, ,

Ooit gehoord van het sprookje van de Bremer stadsmuzikanten? Ik vind het een mooi voorbeeld van wat je kunt bereiken als je doet waar je goed in bent én als je anderen laat doen waar zij goed in zijn.

Ken je het sprookje niet, dan kun je het hier lezen. De ezel, hond, kat en haan zijn allemaal afgedankt door hun baasjes, omdat ze te oud en te zwak zijn en hun taak niet meer goed kunnen uitvoeren. De dieren hadden zich gewillig een kopje kleiner kunnen laten maken, maar ze trekken erop uit. Ze gaan op zoek naar een betere plek waar ze hun talenten nog wel kwijt kunnen. Vol vertrouwen gaan ze op weg.

Als de avond valt ziet de haan vanuit zijn slaapplek hoog in een boom een lichtje branden. Dat lichtje blijkt het huis van een roversbende te zijn, waar een tafel vol eten op hen te wachten staat. De vraag is: hoe zorgen ze ervoor dat zij aan tafel komen te zitten en hoe jagen ze de rovers weg? Dat zijn toch geen mannen waar je het zomaar tegen opneemt. Dankzij een list weten ze de rovers te verjagen en al gauw laten ze zich het eten heerlijk smaken.

Maar… de rovers laten zich niet zomaar wegjagen en ’s nachts komt één van hen poolshoogte nemen. Dit is wat er vervolgens gebeurt:

Degene, die erop uitgestuurd was vond alles in rust; hij liep de keuken in om licht te maken en aangezien hij de vurige ogen van de kat voor gloeiende kolen aanzag, hield hij er een zwavelstokje bij, opdat het vlam zou vatten. Maar de kat liet niet met zich spotten, sprong in zijn gezicht en blies en krabde hem. De man schrok geweldig en wilde door de achterdeur naar buiten hollen; maar de hond, die daar lag, sprong op en beet hem in zijn been; en toen hij over het erf langs de mesthoop rende, gaf de ezel hem nog een fikse trap met zijn achterpoot; de haan echter die door al het lawaai klaarwakker was geworden, riep vanaf zijn balk naar beneden. “Kukeleku!” Toen liep de rover zo hard hij maar kon terug naar zijn hoofdman en sprak: “Oh, wee!, in het huis zit een afschuwelijke heks, die tegen mij blies en met haar lange vingers mijn gezicht kapot gekrabd heeft; en voor de deur staat een man met een mes, die mij in mijn been heeft gestoken en op het erf ligt een zwart monster, dat mij met een houten knuppel heeft afgeranseld; en boven op het dak, daar zit de rechter die riep: ‘Breng hier die schurk.’ Toen heb ik gemaakt, dat ik wegkwam.” Vanaf dat ogenblik durfden de rovers het huis niet meer in, de vier Bremer muzikanten beviel het er echter zo goed, dat zij er niet meer uit wilden.
[bron: http://www.grimmstories.com ]

De vier afgeschreven dieren doen ieder waar ze goed in zijn en jagen zo de rovers voorgoed weg. En ze leefden nog lang en gelukkig…

www. lelixxor.nl

Advertisements